Geen verlengde navordering over box 1-correcties

De omkering van de bewijslast die plaatsvindt als de belastingplichtige zijn aangifteplicht verzaakt, strekt zich niet uit tot de toepassing van de verlengde navorderingstermijn voor buitenlandse heffingsbestanddelen. De Hoge Raad heeft dit bepaald en in een recente uitspraak volgt Rechtbank Den Haag deze regel.

Een ondernemer met een woninginrichtingbedrijf was rekeninghouder van een Zwitserse bankrekening. In zijn aangiften inkomstenbelasting had hij deze rekening jarenlang verzwegen. In 2015 maakt hij echter gebruik van de inkeerregeling en hij sluit een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst. Maar niet op alle punten konden de partijen tot overeenstemming komen. De inspecteur stelde bijvoorbeeld dat hij de verlengde navorderingstermijn ook mocht toepassen op correcties op het box 1-inkomen van de ondernemer.

Rechtbank Den Haag verwerpt dit standpunt van de inspecteur met een verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad eerder dit jaar. Het feit dat de ondernemer niet de vereiste aangifte had gedaan, ontsloeg de inspecteur niet van zijn verplichting om aannemelijk te maken dat in het buitenland box 1-inkomen was opgekomen. De enkele stelling dat dit een mogelijkheid was, vindt de rechtbank onvoldoende.

Een ander geschilpunt betreft de vraag of de man wel kon inkeren. De inspecteur maakt duidelijk dat op 27 september 2017 de Nederlandse media voor het eerst berichtten over een groepsverzoek dat de Belastingdienst had gesteld aan de Zwitserse bank. Gezien de aandacht die was besteed aan dit verzoek moest de man in alle redelijkheid hebben vermoed dat de kans zeer groot was dat de fiscus zijn Zwitserse bankrekeningen zou ontdekken. De rechtbank oordeelt daarom dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de inkeerregeling.

Bron: Rb. Den Haag 22-05-2018