Is werknemer ziek? Nee, zegt de arts van de arbodienst. Ja, zegt de verzekeringsarts van het UWV.

In een geschil tussen de arts van de arbodienst en de verzekeringsarts van het UWV over de vraag of een werknemer ziek was of niet, kiest de rechter de kant van de verzekeringsarts van het UWV, voornamelijk omdat de verzekeringsarts van het UWV zijn mening heeft gebaseerd op informatie van de huisarts en de arts van de arbodienst niet.



Bij een producent van gezelschapsspellen werkt een werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst op 1 december 2016 eindigt. Op 11 oktober 2016 meldt de werknemer zich ziek. De arts van de arbodienst oordeelt dat de werknemer last heeft van spanningsklachten die verband houden met niet-medische factoren en dat de werknemer niet arbeidsongeschikt is. De werknemer is het daarmee niet eens en vraagt een deskundigenoordeel aan het UWV. De verzekeringsarts van het UWV oordeelt vervolgens dat de werknemer op 11 oktober 2016 niet geschikt was voor zijn eigen werk. Uit het patiƫntendossier van de huisarts blijkt dat de werknemer vanaf 29 september 2016 behandeld wordt door de praktijkondersteuner in verband met klachten van overspannenheid/burn-out en dat aan de werknemer in verband daarmee medicatie is voorgeschreven. De huisarts noteert in zijn dossier ook diverse klachten van de werknemer. Omdat de werkgever van mening blijft dat de werknemer niet ziek is, weigert deze verder het loon te betalen. De werknemer vordert daarop betaling van het loon bij de kantonrechter. De kantonrechter wijst die vordering toe, maar de werkgever gaat in hoger beroep.

Het gerechtshof stelt vast dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat het UWV als deskundige is aangewezen, omdat het UWV voldoende onafhankelijk staat ten opzichte van de werkgever en de werknemer, hetgeen in mindere mate geldt voor de bedrijfsarts, die immers een opdrachtnemer van de werkgever is. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat dat niet per definitie betekent dat het deskundigenoordeel van het UWV voorgaat op het advies van de bedrijfsarts, maar dat deze omstandigheid wel meeweegt in het oordeel aan welke medische informatie doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Omdat de werkgever geen grieven heeft gericht tegen deze overwegingen van de kantonrechter, gaat het gerechtshof daarvan uit. Het gerechtshof voegt daaraan toe dat de werknemer niet is onderzocht door een bedrijfsarts, maar door een basisarts die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts, en dat deze arts geen contact heeft gehad met de huisarts, terwijl de verzekeringsarts van het UWV wel een brief van de huisarts had ontvangen. De werkgever had aangevoerd dat de verzekeringsarts van het UWV ten onrechte had geoordeeld dat autorijden een noodzakelijke voorwaarde was voor het uitvoeren van de werkzaamheden van de werknemer en dat de medicatie een beletsel vormde om auto te rijden. De taak van de werknemer hield wel in dat klanten moesten worden bezocht, maar volgens de werkgever zou daar een oplossing voor kunnen worden gevonden. Het gerechtshof oordeelt echter dat de verzekeringsarts ook onderliggende psychische klachten heeft meegewogen en dat daarmee consistent en plausibel is dat de werknemer beperkingen heeft voor het verrichten van zijn eigen arbeid. De medicatie en het autorijden waren daarbij niet beslissend. Bovendien had de werkgever de mogelijk geachte passende arbeid nooit aangeboden. Ook het gerechtshof is daarom van mening dat de loonvordering van de werknemer dient te worden toegewezen.

Bron:Kantoor Mr. van Zijl